De verschijnselen van ME/CVS bij kinderen komen overeen met die bij volwassenen. Maar er zijn ook verschillen: kinderen klagen bijvoorbeeld meer over hoofd- en keelpijn dan volwassenen. Ook is er verschil tussen meisjes en jongens. Ook bij kinderen kan de ziekte zowel acuut (na een virusinfectie) als geleidelijk ontstaan. Het laatste schijnt in de groep van 6 tot 12 jaar het meest voor te komen. De geleidelijke verergering van symptomen kan een proces van maanden of jaren zijn. Na een jaar is er vaak geen merkbaar onderscheid meer in de symptomen van kinderen die acuut of geleidelijk ziek zijn geworden. Daarna zijn de vooruitzichten: perioden van 'terugval', maar over het algemeen geen verdere complicaties. Over een periode van enkele jaren treedt meestal een duidelijke verbetering op. Voor de kleine groep kinderen die ernstig ziek blijven, geldt over het algemeen dat de symptomen, vooral de neurologische, al vanaf het begin ernstig van aard waren.
Door verschillende medici is (en wordt nog steeds!) geopperd dat ME-verschijnselen bij kinderen duiden op een psychische aandoening. Deze kinderen zouden lijden aan een depressie, aan schoolziekte, of aan gedragsstoornissen. Ook verstoorde gezinsverhoudingen en mishandelende of overbezorgde ouders zouden de boosdoeners kunnen zijn. Deze veronderstellingen worden echter door geen enkel onderzoek ondersteund, wel moeten ze evenals psychiatrische ziekten uitgesloten worden! 2). Kinderen met ME/CVS vertonen soms wel emotionele symptomen zoals bedruktheid, prikkelbaarheid en snel huilen, maar het gezonde verstand leert dat deze uitingen een begrijpelijk gevolg zijn van een langdurige ziekte, die hun leven vaak ingrijpend verandert.
De oorzaak van het Chronische Vermoeidheidssyndroom is onduidelijk, ook bij kinderen 3). Er zijn diverse Nederlandse onderzoeken naar ME/CVS bij kinderen 4) 5). Over het aantal kinderen met ME/CVS is nog weinig bekend. Voor jongeren met het chronisch vermoeidheidssyndroom zijn er geen betrouwbare prevalentie getallen. De huidige literatuur laat een meerderheid zien van ME/CVS in volwassen vrouwen (vrouw-man ratio: 4:1) en dit lijkt ook bij pediatrische CVS het geval te zijn. Hoewel bij jonge kinderen de verdeling meer gelijk lijkt te zijn, lijken na de puberteit adolescente meisjes de adolescente jongens in aantal te gaan overtreffen 6).
De midden- en hogere sociaal-economische klassen zijn in verschillende onderzoeken licht overgerepresenteerd onder vermoeide patiënten vergeleken met andere klinische groepen 7). Net als bij volwassenen is er weinig wetenschappelijk bewijs voor de effectiviteit van behandelingen. Lange termijn resultaten van bijvoorbeeld intraveneus gammaglobuline van de hierna genoemde K. Rowe toonde geen verschil t.o.v. geen medicatie. De gemiddelde duur van de ziekte is 39 maanden bij een range van 9-105 maanden in een Australisch onderzoek bij 172 kinderen 8).
Het is bij voorkeur een vermoeidheid met een duidelijk beginpunt. (CVS heeft in ongeveer 25% van de jongeren een verraderlijke, sluipende aanvang (Jordan e.a., 1998). Kinderen in de leeftijd van 6 tot 12 jaar kennen vaker een geleidelijker, sluipender aanvang van de chronische vermoeidheids-symptomen over verscheidene maanden of jaren. Kinderen in deze leeftijdsgroep voldoen minder snel aan de CDC-criteria, omdat ze minder ernstige vermoeidheid presenteren 9) (Smithe.a,, 1991).
Gedetailleerde observaties laten echter een overeenkomende vermindering in activiteit zien bij kinderen met een acuut en een geleidelijk begin. Na een ziekteduur van een jaar kunnen de beide groepen niet langer van elkaar worden onderscheiden met betrekking tot symptoompatroon of lichamelijk onderzoek. De moeheid wordt erger door inspanning en vermindert niet door rust. Er zijn neurocognitieve symptomen en tenminste 3 van de volgende klachten: spierpijn, gewrichtspijn, hoofdpijn, slaapstoornissen, buikpijn, duizeligheid, misselijkheid, keelpijn en gevoelige, opgezette lymfklieren.
25% meldt dat er een bijkomende ziekte is als koorts, longontsteking, meningitis schildklierziekte, of vitamine B12 tekort. 82% heeft baat bij enige vorm van therapie, als gebalanceerde rust met milde lichaamsbeweging. Bij jongeren die hieraan lijden moet men rekening houden met ontwikkelingsfactoren en met de invloed van andere gezinsleden op het verloop van de stoornis. 70% heeft baat bij alternatieve therapie. 30% vindt dat zij na 4,6 jaar niet meer aan me/cvs leiden. 60% van de onderzoeksgroep werkt of studeert full time na herstel. Er is geen verschil tussen de helft die ernstiger ziek is en minder ernstig qua omvang en duur /uitkomst van de ziekte. (Dit is in tegenspraak met wat in de voetnoten vermelde scriptie van Henriet Middendorp wordt gesteld: Bij de kinderen met een slechtere prognose zijn de vermoeidheid en andere symptomen vanaf de aanvang ernstiger, leidende tot een ernstige beperking in activiteit.
Vaak zijn er ernstigere neurologische symptomen, zoals spiersamentrekkingen, stoornissen in de gevoelswaarneming en aanvalsgewijze episodes. Zelden wordt in de loop van follow-up een andere ziekte-diagnose gesteld, die de vermoeidheid kan veroorzaken. De prognose is voor de meerderheid van de kinderen gunstig. In de meest recente studies, waarin follow-up beperkt is van 1 tot 3 jaar, rapporteert 8-47% herstel, 27-46%verbetering, 12-29% blijft onveranderd en 6-17% verergert 10). Er is bij Rowe wel verschil tussen de groep die ernstig ziek is en de groep die het beter afgaat. Bij de ernstig zieke groep duurt het langer tot de diagnose gesteld wordt 13 versus 7 maanden en de ernstige groep kreeg later behandeling: 14.5 versus 7 maanden. Depressie is vaak aanwezig, (7% ernstig) en gerelateerd aan de ernst van de ziekte. Er is geen relatie tussen depressie aan het begin en tijdens de ziekte en de uiteindelijke uitkomst na 4,6 jaar: genezing of nog ziek. Het gedeelte van de kinderen dat gedachten heeft over zelfmoord verschilt niet van controles (18-20%).
De ernst van de ziekte in het begin correspondeert niet met de kans en mate op genezing 11). Het klinische verloop van CVS bij kinderen wordt gekenmerkt door terugvallenen remissies, maar verloopt in het algemeen zonder medische complicaties 12). Rowe presenteert in Seattle 5 subgroepen: pijn en moeheid; hoofd/ buikpijn; neurocognitief; neurofysiologisch; immunologisch.
Informatie op basis van onderzoek bij volwassenen met het chronisch vermoeidheidssyndroom kan behulpzaam zijn, maar is niet per definitie direct toepasbaar op kinderen en adolescenten. Vergelijkend literatuuronderzoek wijst uit dat het in Nederland om duizenden kinderen en jongeren zou kunnen gaan.
Ook uit het buitenland kwamen al lange tijd signalen dat ME bij kinderen meer voorkomt dan algemeen werd gedacht. Terecht vroegen reeds in het begin van de jaren negentig Amerikaanse ME-organisaties aandacht voor deze heel bijzondere en kwetsbare groep ME/CVS patiënten. Waarschijnlijk moet men niet wachten tot het kind 6 maanden ziek is, alvorens de diagnose te stellen, zoals bij volwassen (nog) verplicht is om aan de definitie van ME/CVS te voldoen. Er zijn ook onderzoekers die uitgaan van een vereiste duur van symptomen van ernstige vermoeidheid van ten minste zes weken 13). De vraag hoe lang de vereiste duur van de symptomen moet zijn, blijft open, hetgeen een belemmering vormt voor het vergelijken van de verschillende steekproeven. Kinderen kunnen binnen een zelfde periode van ziek zijn wel eens meer schade ondervinden op sociaal-, psychisch en onderwijskundig gebied dan volwassenen, gezien de snelle groei van kinderen en veranderende lichamelijke omstandigheden 14).
Concluderend vindt de ME-CVS-Stichting dat ME/CVS bij jongeren een speerpunt moet zijn in haar beleid.
Wat betreft de behandeling van kinderen met ME/CVS geldt dat ook bij hen een goede afwisseling van rust en activiteit (in het beginstadium vooral rust) van het grootste belang is. Artsen kunnen met medicijnen soms bepaalde symptomen verlichten. Verder kunnen zij steun en begrip bieden, en het geduid en zelfvertrouwen bij het kind stimuleren. Heel belangrijk is dat artsen goede informatie geven aan de ouders, aan het kind zelf en aan de school.
Voor ouders is het zaak om voor een prettige omgeving te zorgen, met zo nu en dan wat afleiding. Bij een kind met ME/CVS kan het gevaar ontstaan dat het vereenzaamt, omdat het maar een beperkte tijd heeft waarin het iets kan ondernemen. In die korte tijd moet vaak gekozen worden tussen huiswerk maken of een sociale activiteit, bijvoorbeeld vrienden en vriendinnen ontmoeten. Ouders kunnen stimuleren dat het kind ook een sociaal leven behoudt zodat het, als het eenmaal beter is, niet volledig geïsoleerd zal zijn.
De pijler waarop de behandeling rust is revalidatie waarbij de nadruk ligt op het geleidelijk opvoeren van activiteiten 15). Vanuit een basisniveau van activiteiten dient een geleidelijke opbouw en afwisseling van lichamelijke en geestelijke activiteiten plaats te vinden. Ook schoolhervatting dient in een vroeg stadium besproken te worden. Als leidraad kan gelden om een vast aantal uren per dag of week naar school te gaan om zo weer regelmaat te krijgen. Lawaai en drukte in de klas kan een belemmering zijn om zich te concentreren. Geleidelijke opbouw van het aantal uren is hierbij erg belangrijk. De jeugdige patiënt moet zich ondersteund weten door een begripsvolle coach. Hierdoor kan hij leren dat hij zelf zijn klachten kan beïnvloeden met als doel dat hij zich weer als gezond beschouwt en weer volledig deelneemt aan de bij de leeftijd behorende activiteiten. Een middel hierbij is het opsporen van niet-helpende gedachten als: 'ik wordt nooit meer beter', 'niemand snapt me' 'ik kan niets meer' 'ik ben waardeloos' evenals gedachten van de ouders: 'het wordt niks vandaag', 'het komt niet goed met ons kind' zijn niet helpend. Daarnaast wordt geleerd om helpende gedachten te hanteren, die samen met de ouders gezocht worden.
Een scala aan medicatie, waaronder antihistaminica en antivirale middelen zijn genoemd als behandeling voor ME/CVS. De bewijzen voor de werkzaamheid van deze middelen waren niet overtuigend, terwijl de hoge kosten en de nadelige reacties een algemene aanbeveling ervan in de weg staan 16) 17). Evenals bij volwassen kunnen bijkomende symptomen medicamenteus behandeld worden.
Een van de positieve resultaten betreft het gebruik van antidepressiva 18) in een gerandomiseerde trial met fluoxetine bij kinderen en volwassenen met een niet-psychotische depressieve stoornis, bieden een sterke ondersteuning voor het gebruik van SSRI's bij deze leeftijdsgroep wanneer depressiviteit een belangrijk kenmerk is. In dit onderzoek bleek fluoxetine significant beter dan een placebo voor de behandeling van depressieve symptomen. Bij volwassenen zijn inmiddels aanwijzingen dat het middel venlafaxine (Efexor) nog beter werkt 19).
De werkzaamheid van cognitieve gedragstherapie bij de behandeling van jonge patiënten met depressieve stoornissen wordt onderstreept door twee andere gerandomiseerde, gecontroleerde onderzoeken, waarin deze behandeling wordt vergeleken met gezinstherapie en non-directieve ondersteunende therapie 20), en relaxatietraining 21). In deze beide onderzoeken blijkt cognitieve gedragstherapie beter dan de andere behandelingen. Anderen gaven een beschrijving van een benadering met cognitieve herstructurering bij depressieve kinderen 22). De technieken zijn onder andere het zoeken van bewijzen om automatische gedachten te ondersteunen of te ontzenuwen en het kind begeleiden bij het zoeken naar beter aangepaste interpretaties van gebeurtenissen. Om deze principes te extrapoleren naar jonge patiënten met ME/CVS zal de therapeut de belangrijkste niet-functionele gedachten moeten opsporen en uitdagen, gedachten zoals dat 'symptomen betekenen dat er iets met je aan de hand is en activiteiten vermeden moeten worden'. Het is echter belangrijk directe confrontaties te vermijden, vooral als het gaat over ideeën die betrekking hebben op de oorzaak van de ziekte. De werkzaamheid van een dergelijke benadering wordt ondersteund door een ander onderzoek door dat een positief resultaat rapporteerden van cognitieve gedragstherapie bij patiënten met ME/CVS, ook al veranderen de 'fysieke ziekte' attributies niet 23).
Het belangrijkste is te accepteren dat een kind met ME/CVS ernstig ziek is. Geloof het kind onvoorwaardelijk als het iets niet kan: zelf zou het niets liever willen dan weer gezond te zijn.
Probeer een kind met ME/CVS dus nooit tot meer inspanning te pressen dan het aankan. Forceer geen uitjes, bezoekjes, etcetera.
Help vriendjes en vriendinnetjes, voor wie ME/CVS nu eenmaal ook een onbegrijpelijke ziekte is: word niet boos als ze het laten afweten, maar stimuleer ze om contact te houden door de patiënt eens een kaartje te sturen of langs te komen, al is het maar voor tien minuten. Hoewel er nog geen afdoende medicijnen of medische therapieën bestaan, is het toch belangrijk een arts te vinden die het zieke kind wil begeleiden. Daarnaast heeft het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht (zie adreslijst) een polikliniek voor kinderen met ME/CVS. Hier worden kinderen medisch en psychologisch uitgebreid onderzocht. Ook ondergaan zij een endocrinologisch en immunologisch onderzoek. Er is een wachtlijst, en ondanks de zeer gedegen aanpak van de polikliniek moeten ouders niet hopen hier 'een wonderpil' voor hun kind te vinden. Ook het Nijmeegs Universitair Medisch Centrum heeft een speciale onderzoeksgroep die zich bezig houdt met kinderen. (zie adreslijst).
Doordat ME/CVS een sterk wisselend verloop heeft, is het een verraderlijke ziekte. In een goede periode lijkt een kind vaak veel meer aan te kunnen en te willen dan verstandig zou zijn. Om terugslag en teleurstelling te voorkomen, is het van belang in die periodes gezamenlijk niet meteen te hard van stapel te lopen. Het hebben van een chronisch ziek kind is een zware belasting en een bron van veel zorg en verdriet. Lotgenotencontact kan daarbij troost bieden en bovendien leiden tot het uitwisselen van praktische oplossingen. Ouders van kinderen met ME/CVS kunnen, als zij daar behoefte aan hebben, met elkaar in contact komen via het regionaal georganiseerde lotgenotencontact van de ME-CVS-Stichting Nederland (zie adreslijst). Sinds kort is er ook een contactgroep voor jongeren en ME/CVS (zie adreslijst)
ME/CVS blijkt volgens een groot Engels onderzoek de belangrijkste reden voor langdurige afwezigheid van school te zijn ` zoals beschreven in de afstudeer scriptie van Willemien Mommaas(2000)In dit Engelse onderzoek onder 1098 scholen met 453 chronisch zieke kinderen, gaf maar liefst 51% ME als reden op. Van de zieke kinderen kreeg 48% thuis les van een leraar, 57 % had een aangepast lesrooster en 6% kon niets aan onderwijs doen. De klachten van kinderen met ME/CVS op school kunnen zijn: verlies van vocabulaire, problemen bij het vinden en het oproepen van woorden, problemen met het geschreven woord; problemen met spraak (slordig spreken); het omdraaien van woorden; betekenis van woorden in de verkeerde context; het niet kunnen volgen van uitleg leerkracht alsof het een andere taal is; vermoeidheid tijdens het praten, langzaam en zacht praten; problemen met rekenen/ wiskunde; problemen met de concentratie.
Toch is het, als het even kan, voor kinderen met ME/CVS beter om nog wat lessen op school te blijven volgen: hun medeleerlingen zien hen dan tenminste regelmatig. Wie thuis blijft, wordt gemakkelijker door klasgenoten vergeten. Anderzijds zal het voor de meeste jonge ME/CVS patiënten niet mogelijk zijn het hele normale lesprogramma te volgen. Het risico bestaat, dat men het toch steeds weer een tijdje probeert en daarna door uitputting weken- of maandenlang tot niets meer in staat is. Het is daarom aan te bevelen een aangepast onderwijsprogramma te maken, dat voldoende rustmogelijkheden biedt.
Dat programma kan, al naar gelang de mogelijkheden van de ME/CVS patiënt, bestaan uit (een combinatie van) zelfstudie, les thuis, vrijstelling voor bepaalde vakken (bijvoorbeeld gymnastiek) en les op school. Regelmaat, een goede spreiding en een planning van rustmomenten is noodzakelijk. In het algemeen geldt: beter drie keer per week anderhalf uur naar school, dan een keer per week viereneenhalf uur. Zeker voor middelbare scholieren spreekt het vanzelf dat voor zo'n programma de medewerking van de school vereist is. Het beste is het wanneer contactpersoon op school, bijvoorbeeld een mentor, een schooldecaan, een (con)rector of een vertrouwde docent alles regelt, bij voorkeur iemand die de scholier goed kent. Dan zal zich minder snel het probleem voordoen dat men twijfelt aan de realiteit en ernst van de gezondheidsproblemen. Verder is het van belang dat het kind zich op school zoveel mogelijk in een 'prikkelvrije omgeving' bevindt, dus niet in de buurt van drukke klasgenoten zit, of op een plaats waar het last heeft van TL - licht.
En tenslotte moet er rekening mee worden gehouden dat kinderen met ME niet alleen minder energie hebben, maar ook kampen met concentratieproblemen en andere cognitieve stoornissen. Het is daarom het beste als zij hun eigen tempo mogen bepalen
Soms kunnen bepaalde voorzieningen of hulpmiddelen nodig zijn om onderwijs te kunnen volgen. Voorzieningen bijvoorbeeld voor vervoer naar en van school, speciale leermiddelen of aanpassing van de werkplek thuis, kunnen op grond van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) worden aangevraagd bij de uitvoeringsinstelling GAK. Ook eventuele hulpmiddelen die de communicatie ondersteunen (bijvoorbeeld een cassetterecorder of een computer) kunnen worden aangevraagd bij het GAK. Het GAK bepaalt of een dergelijke voorziening onder de AAW valt of niet. Hulpmiddelen die zowel voor school als privé-gebruikt worden (bijvoorbeeld leeshulpmiddelen) vallen niet onder de AAW, maar onder de Ziekenfondswet (ZFW). Deze kan men aanvragen bij het ziekenfonds of de particuliere ziektekostenverzekeraar. Rolstoelen die zowel voor school als privé-gebruikt worden kan men aanvragen bij de gemeente, op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG). Per 1 juli 1998 worden de AAW-voorzieningen opgenomen in de Wet reintegratie arbeidsgehandicapten (REA). De bedrijfsvereniging blijft de instantie waar men de voorzieningen kan aanvragen.
Voor alle kinderen met een chronische ziekte of handicap bestaan er verschillende vormen van speciaal onderwijs. Mytylscholen (voor kinderen met een motorische handicap) en LZK - scholen (voor langdurig zieke kinderen) verzorgen aangepast basis- en voortgezet onderwijs. Jongeren vanaf 12 jaar kunnen soms terecht op een school voor voortgezet speciaal onderwijs (VSO), die beroepsopleidingen (op lager of middelbaar niveau) biedt en tevens voorbereidt op een plaats in de maatschappij. Daarnaast zijn er in Nederland enkele centra voor beroepsopleidingen voor gehandicapten, verbonden aan zogenaamde arbeids reïntegratie centra (zie adreslijst). Daar kunnen jongeren vanaf ongeveer 16 jaar en volwassenen terecht. In de meeste gevallen zal men tijdens de opleiding aan een dergelijk centrum intern moeten wonen, al of niet met begeleiding. Aan sommige van deze centra zijn ook de eerdergenoemde VSO - scholen verbonden.
Wanneer het alleen haalbaar is om thuis wat te leren is er ook de Wereldschool en de @webschool. Die hebben speciale voorzieningen voor jongeren, zie voor de internet adressen het hoofdstukje 'links'.
Wie overweegt later hoger onderwijs te gaan volgen, kan vooraf al voor informatie terecht bij de Stichting Handicap & Studie. Met deze stichting kan men een afspraak maken voor een (gratis) adviesgesprek. Daarin kunnen onderwerpen aan de orde komen als de beste keuze van het vakkenpakket, de keuze van een studie en een universiteit of hogeschool, mogelijkheden voor speciale voorzieningen, de mogelijkheid om op kamers te gaan wonen, enzovoort. Deze Stichting heeft ook oog voor mensen met een 'onzichtbare handicap'. Wanneer reizen niet mogelijk is, kan dit gesprek eventueel thuis plaatsvinden. Men kan bij deze stichting ook telefonisch informatie opvragen. Voor een aangepast studieprogramma kan men in het hoger onderwijs contact opnemen met een mentor, studieadviseur of studentendecaan. Er zijn speciale afstudeerregelingen mogelijk.
Ook bestaan per universiteit of hogeschool speciale regelingen voor financiële ondersteuning van studenten die als gevolg van bijzondere omstandigheden, zoals ziekte, studievertraging oplopen en daarvan financiële nadelen ondervinden in verband met hun studiebeurs. Wanneer er sprake is van vertraging als gevolg van ziekte moet men dit onmiddellijk melden bij de studentendecaan, die ook informatie kan geven over de genoemde regelingen.
Artikel 59 van het Eindexamenbesluit vwo - havo - mavo geeft aan langdurig zieke kinderen de mogelijkheid om het eindexamen gespreid over twee schooljaren af te leggen. In principe moeten dit twee aaneengesloten jaren zijn. De beslissing hierover wordt genomen door het bevoegd gezag, dus het schoolbestuur, na advies van de onderwijsinspectie. Wanneer de onderwijsinspectie niet wil meewerken kan men hiertoe een speciaal verzoek indienen bij de staatssecretaris van onderwijs.
2 Bleijenberg G, de Jong LWA. Handboek kinderen en adolescenten. 2000 p.c-080-9
3 Chronic fatigue syndrome in children and adolescents: A review article (2000). Josephine Richards: Clinical Child Psychology and Psychiatry, 5, 3 1-51. SAGE Publications (London, Thousand Oaks and New Delhi).
4 Jong, L.W.A.M. de, Prins, J.B., Fischer, Th.J.W., Weomaes, C.M.R.,Meijer-van den Bergh, E.M.M. & Bleijenberg, G (1991). hetchronische-vermoeidheidsyndroom bij jongeren. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 141, 1513-1516.
5 Willemien Mommaas Mei 2000Afstudeerscriptie in opdracht van Hogeschool Brabant Faculteit Gamma, afdeling Fysiotherapie, Breda. Kinderen en ME folder ME stichting 1998. Informatie en tips voor ouders en hulpverleners. Kapittelweg 397, Hilversum: 010-6211290. Henriet van Middendorp. Doctoraalscriptie Gezondheidspsychologie & Ontwikkelingspsychologie Universiteit Utrecht Juli 1999
6 Jordan, K.M., Landis, D.A., Downey, M.C., Osterman, S.L., Thumi, A.E. &Jason, L.A. (1998). Chronic fatigue syndrome in children and adolescents:A review. Journal of Adolescent Health, 22, 4-18.
7 Carter, B.D.. Edwards, J.F., Kronenberger, W.G., Michalezyk, L. & Marshall,(15. (1995). Case control study of chronic fatigue in pediatric patients.Pediatrics, 95, 179-186.
8 Follow up of 172 young people with cfs-0functional outcomes and relationship to symptom patterns and psychological features. Catherine Rowe, Seattle AACFS meeting presentation 28.01.01.
9 Smith, M.S., Mitchell, J., Corey, L., Gold, D., McCauley, E.A., Glover,D. & Tenover, F.C. (1991). Chronic fatigue in adolescents.Pediatrics, 88. 195-202.
10 Smith, M.S., Mitchell, J., Corey, L., Gold, D., McCauley, E.A., Glover, D. & Tenover, F.C. (1991). Chronic fatigue in adolescents. Pediatrics, 88. 195-202.
11 Follow up of 172 young people with cfs-0functional outcomes and relationship to symptom patterns and psychological features. Catherine Rowe, Seattle AACFS meeting presentation 28.01.01.
12 Bell, D.S. (1995). Chronic fatigue syndrome in children. Journal of Chronic Fatigue Syndrome. 1, 9-33.
13 Vereker, MI. (1992). Chronic fatigue syndrome: A joint paediatric- psychiatric approach. Archives of Disease in Childhood 67, 550-555.
14 Carter, B.D., Rroenenberger, W.G., Edwards, J.F., Michalzcyk, L,, & Marshall, G.S. (1996), Differential diagnosis of chronic fatigue in children: Behavioral and emotional dimensions, Developmental and Behavioral Pediatrics, 17, 16-21.
15 Bleijenberg G, de Jong LWA. Handboek kinderen en adolescenten. 2000 p.c-080-11
16 Royal Colleges of Physicians, Psychiatrists, & General Practitioners. (1996). Chronic fatigue syndrome. Report of a joint working group. London: The Royal Colleges of Physicians, Psychiatrists and General Practitioners.
17 Salit, I.E. (1997). The chronic fatigue syndrome: An update on important issues. In y. Shlomo & Dl. Motofsty (Eds.), Chronic Fatigue Syndrome (pp. 51-72). London: Plenum.
18 Emslie, G.J. et al. (1997). A Double-blind, randomized, placebo-controlled trial of fluoxetine in children and adolescents with depression. Archives of General Psychiatry, 54, 1031-1037.
19 Thase ME, Entsuah AR, Rudolph RL Remission rates during treatment with venlafaxine or selective serotonin
reuptake inhibitors. The British Journal of Psychiatry 2001; 178(3): 234_41.
20 Brent, DA, Holder, D., Kolko, D., Birinaher, B., Baugher, M., Roth, C., Irengar, S., & Johnson, BA. (1997). A clinical psychotherapy trial for adolescent depression comparising cognitive, family and supportive therapy. Archives of General Psychiatry, 54, 877-885.
21 Wood, K, Harrington, R., & Moore, A. (1996). Controlled trial of a brief cognitive-behavioral intervention in adolescent patients with depressive disorder Journal of Quid Psychology and Psychiary, 37, 737-746.
22 Stark, KB., Rouse, LW., & Livingstone, R, (1991). Treatment of depression during childhood and adolescence: Cognitive behavioral procedures for the individual and the family. In P.C. Kendall. (Ed.), Child and adolescent therapy: Cognitive-behavioral procedures (pp. 165-206). New York: Guilford Press.
23 Deale, A., Chalder, T., & Wessely, S. (1998). Illness beliefs and treatment outcome in chronic fatigue syndrome. Journal of Psychosomatic research, 45, 77-83. Dowsett, E.G., & Colby,J. (1997). Long-term sickness absence due to ME/CFS in UK schools: An Epidemiological Study with Medical and Educational Implications. Journal of Chronic Fatigue Syndrome, 3, 2942.